maandag 1 augustus 2011

Stijg naar hogere kunst met Doe-eens-gek-fonds

In zijn inspirerende bijdrage aan de krant van afgelopen woensdag, zette Tijn Touber uiteen hoe ‘ware kunst voortkomt uit een ander bewustzijn’. Hij maakte daarbij terecht onderscheid tussen ‘een kunstje’ en De Kunst, tussen het vakmanschap van Eric ‘slowhand’ Clapton en de genialiteit van Jimi ‘voodoo child’ Hendrix. Aan het eind van het betoog ontbrak echter een conclusie waardoor het geheel vooral het karakter kreeg van een statement. Daar is op zichzelf niets op tegen, maar omdat er meer in zit hieronder een poging de draad op te pakken waar Touber een gevoelige snaar heeft geraakt.



Het onderscheid dat Touber maakt, wordt namelijk ook gebruikt in het beleid van de overheid. En dan niet alleen in het kunstbeleid; het onderscheid gaat veel verder. Het ‘kunstje’ staat dan voor het vakmanschap van een kunstenaar, een wetenschapper en een ondernemer. Dankzij dat vakmanschap kan de samenleving genieten van concerten en theateruitvoeringen, van de resultaten en toepassingen van gedegen onderzoek en de beschikbaarheid van producten en diensten tegen een concurrerende prijs. Het hart van Touber gaat echter duidelijk uit naar de vertegenwoordigers van De Kunst, de geniale vernieuwers die de samenleving een nieuw perspectief op de werkelijkheid kunnen bieden:

de Picasso’s in de kunst, de Flemings in de wetenschap en de Steve ‘Ipad’ Jobsen in het bedrijfsleven.

Maar zoals Touber al beschreef, kalkten de popfans in de jaren ’60 ‘Clapton = God’ op de muren in Londen. Omdat een tot in de perfectie beheerst vakmanschap door de massa wordt herkend en gewaardeerd, terwijl een geniale vernieuwer als Hendrix controversieel blijft, omdat een Messias, een bevrijder van oude patronen niet snel wordt geaccepteerd.

De geschiedenis leert, dat geniale invallen niet zijn te plannen en dat fundamentele vernieuwing vaak niet bij voorbaat valt te herkennen. Wetenschappelijke doorbraken dienen zich soms bij toeval aan, uitvindingen komen langs in een droom en nieuwe muziekstromen ontstaan tijdens het ‘jammen’ en experimenteren. Dan heb je een probleem als overheid, wanneer je naast ‘kwaliteit’ ook vernieuwing en innovatie wilt bevorderen. Want hoe wil je dat doen?

Er is een tijd geweest dat de overheid dan maar een regeling in het leven riep voor bijvoorbeeld elke Nederlander die een penseel kon vasthouden. Om voorgoed een Van Gogh-trauma te voorkomen en tegelijkertijd de voorwaarden te scheppen voor vele Nederlandse Picasso’s. Maar toen na vele jaren de kunstberg hoger was dan het IJsselmeer diep, leek een duidelijke grens bereikt. Het werkte niet. En datzelfde gold voor de latere commissies van ‘deskundigen’ die de ‘innovatie’ moesten bevorderen of die de voorwaarden moesten scheppen voor revolutionaire doorbraken in het wetenschappelijk onderzoek.

Het dilemma zit ‘m in de zekerheden die de overheid wenst en de onzekerheden die de kunstenaar/pionier opzoekt, in de vaste regels die de subsidieverstrekker hanteert en de gebaande paden die de subsidiegenieter nu juist verlaat. En zelfs als je ‘deskundigen’ inzet ter beoordeling van projecten zullen ook zij blind zijn voor perspectieven die buiten hun wereldbeeld of paradigma vallen.

Een interessante optie – die (let op!) alle zekerheden loslaat – is het scheppen van een fonds ‘Doe eens gek’. Een fonds met een beperkt budget, waaruit de dienstdoend staatssecretaris geheel naar eigen believen projecten kan steunen in de sfeer van cultuur, wetenschap en/of innovatie. ‘U wilt het Binnenhof inpakken? Morgen beginnen!’; ‘Bolbliksems? Wie weet, probeer het maar uit’. Het is een beleid met een beetje ‘Franse slag’; het leverde Parijs bijvoorbeeld de piramide bij het Louvre op – destijds zeer controversieel, maar thans niet meer weg te denken uit het Franse culturele erfgoed.



Het in het leven roepen van een dergelijk fonds zou op zichzelf al een interessant politiek experiment zijn. Het zou namelijk resulteren in het opgeven van zekerheden (investeren zonder garanties, geen afrekening op output) en het verlaten van gebaande paden. Want als politiek ook een vak en daarmee een kunstje is, dan is dit een manier om tot hogere Kunst te stijgen.



Kees M. Paling is publicist en auteur van o.a. ‘Het Fin de Siècle als uitdaging’.