donderdag 14 februari 2013
De nieuwe paus heet Peter
De aankondiging van Paus Benedictus XVI dat hij op 28 februari terugtreedt, heeft een golf van geruchten en speculaties op gang gebracht. Wat waren de werkelijke motieven achter deze beslissing (aan intriges en schandalen heeft het in het Vaticaan nooit ontbroken) en wie zijn de kanshebbers op het felbegeerde pontificaat? Gelovigen en bijgelovigen werden op hun wenken bediend door een zware blikseminslag in de koepel van de St. Pieter, alsof Onze Lieve Heer hoogstpersoonlijk de dramatiek van het moment wilde onderstrepen.
Inmiddels is de aanvang van Het Conclaaf – waar een nieuwe paus moet worden gekozen – vastgesteld op half maart. We hoeven echter niet te wachten op witte rook, want de naam van de nieuwe paus is al eeuwenlang bekend. Het is Petrus Romanus, oftewel Petrus van Rome en die wetenschap danken wij aan de geschriften van de heilige Malachias. Dit was een Ierse bisschop uit de 12de eeuw die tijdens een bezoek aan Rome een visioen kreeg (kwaadwillende houden het op drankmisbruik) waarin hem de bijnamen van alle komende pausen werden onthuld.
Zoals de meeste voorspellingen is de lijst met namen vrij cryptisch en staat deze open voor vele interpretaties. De bijnamen zijn vaak gerelateerd aan het familiewapen, de kerk of het bisdom van de nieuwe paus. Zo was de bijnaam van paus Clemens IV (1265-1268) ‘Draco Depressus’ en had hij inderdaad een door een adelaar onderworpen draak in zijn familiewapen. De geschriften van Malachias zijn pas in de 16de eeuw gepubliceerd en opvallend is dat de interpretatie van de latere bijnamen meer fantasie vergen dan die uit de voorgaande periode.
Hoe dan ook, het aardige van de lijst van Malachias is, dat deze een einde heeft en dat de komende paus – Petrus van Rome – ook de laatste is. Over het pontificaat van deze Petrus schrijft Malachias verder dat het ‘plaatsvindt tijdens een extreme vervolging van het Heilige College van Kardinalen, dat de pontifex zijn schapen door vele beproevingen zal leiden en dat uiteindelijk de zevenheuvelige stad (Rome) verwoest zal worden, dat de Grote Rechter zijn volk zal oordelen en dat het Einde (van de kerk? Van de wereld?) een feit zal zijn.’
Het zijn ondergangsvoorspellingen die in dezelfde termen terugkeren bij Nostradamus en in het derde geheim van Fátima, met de nodige vaagheid over de juiste datering van al dit onheil.
Zo ook brengt de bijnaam ‘Petrus van Rome’ ons nog niet dichter bij de identiteit van de nieuwe paus. Er bevinden zich bijvoorbeeld drie Pedro’s/Peters onder de kardinalen en daarvan is Pedro Rubiano Saenz uit Colombia te oud om nog mee te mogen doen. Houden we over Pedro Odilo Scherer uit Brazilië (die inderdaad als kanshebber genoemd wordt) en Péter Erdö uit Hongarije. De toevoeging ‘van Rome’ is in beide gevallen echter niet goed uit te leggen, dus de kans dat de bijnaam iets uitstaande heeft met de eigenlijke naam van de nieuwe paus is vrijwel nihil.
Een heel andere interpretatie van de bijnaam is, dat Petrus Romanus ooit ook de allereerste bisschop van Rome was en dat deze zelfde Petrus nu terugkeert na de wederopstandig der doden. Vervelende bijkomstigheid is echter dat de Dag des Oordeels dan al geweest is en dat we maart dus niet eens halen.
Kortom: gelovigen, bijgelovigen en ongelovigen rest niets anders dan te bidden dat de nieuwe paus zich onder de nog levende kardinalen bevindt, dat er half maart snel witte rook uit het Vaticaan omhoog zal kringelen en dat de nieuwe pontifex vooral jong zal zijn, omdat aan het eind van zijn pontificaat immers alles voorgoed ten einde loopt. Dan hebben we nog even.
zaterdag 29 december 2012
boeken uitgeven is 19de eeuws
Wie op een opiniepagina een klaagzang aanheft kan verzekerd zijn van maatschappelijke echo en nagalm. Dat merkte literator Peter Drehmanns na publicatie van zijn schotschrift over uitgeverijen in het algemeen en uitgeverij Querido in het bijzonder. Na negen ‘goed besproken’ (maar waarschijnlijk onvoldoende verkopende) boeken was Querido niet langer enthousiast over zijn manuscripten. Drehmanns hield de eer aan zichzelf, maar kreeg vervolgens ook bij andere uitgeverijen geen voet aan de grond. Zijn persoonlijke werdegang zag de auteur als een teken des tijds: uitgeverijen gaan tegenwoordig alleen nog voor hapklare teksten, marketingstrategieën en zekere kaskrakers. Voor echte literatuur is geen plaats en geen geld meer. Hoewel je over de definitie van literatuur kunt discussiëren, is de actie van Drehmanns op zijn minst ‘moedig’ te noemen. Met zo’n schotschrift roep je al snel de verdenking op je dat je een gefrustreerde schrijver bent die zijn afwijzing niet kan verkroppen. Dat zal zeker meespelen, maar Drehmanns heeft toch ook een punt. Uitgeverijen hebben bestsellers nodig om te overleven en omdat je kaskrakers niet tevoren kunt voorspellen (lees alle bestsellers die ooit eerst werden afgewezen – zoals In de Ban van de Ring) gaan ze steeds meer voor zekerheid en dus voor de middelmaat. Liever de verzamelde columns van een BN-er bij de kassa dan een literair hoogstandje van een oud-gediende. Dat zullen uitgevers niet gauw toegeven – zie de verontwaardigde reactie van Querido – maar het is een onvermijdelijke ontwikkeling. De tijden zijn nu eenmaal veranderd, evenals de markt en de uitgeefwereld. Die ontwikkeling is echter veel breder: het uitgeven van boeken is vanouds een 20ste zoniet 19de eeuwse praktijk, evenals het uitgeven van kranten, het maken van televisie, het behartigen van belangen via politieke partijen en vakbonden, het sparen en lenen via banken, etc, etc. Al die maatschappelijke activiteiten zijn al geruime tijd aan slijtage onderhevig. Er worden nieuwe manieren gezocht en gevonden om projecten te financieren, informatie te genereren en te verspreiden, debatten te voeren en beslissingen te nemen. Drehmanns weet daar genoeg van, want hij heeft een eigen website, een beigen log, hij twittert en hij maakt filmpjes. Waarom dan nog langer vasthouden aan die oude manier van publiceren? Aan die fossiele uitgevers uit een vervlogen eeuw?
Houdt dan echt de eer aan jezelf en maak je klaar voor een sprong voorwaarts naar een nieuwe wereld van internationalisering en digitalisering. Na de wetenschap, de politiek en het bedrijfsleven wordt het tijd dat ook de Nederlandse literatuur zich internationaal oriënteert. En dan bedoel ik niet het vertalen van dichtbundels voor de Kroatische lezersmarkt, maar het direct in het Engels schrijven van manuscripten. Als Nederlandse uitgevers alleen nog wensen te investeren in jonge meiden met liefst blonde haren en een diep decolleté, dan wordt het tijd dat de mannelijke schrijvers van boven de vijftig zich aaneensluiten tot de ‘Angry Old Men’ (of – naar het decennium – ironisch genoeg – tot ‘de tieners’), hun moedertaal boycotten en alleen nog maar Engelse strofen fabriceren. In combinatie met de digitalisering betekent dat niet alleen een snellere en goedkopere productie en verspreiding, maar tevens een grotere – want internationale – markt om je producten kwijt te raken. En dan hoef je niet eens het wiel zelf uit te vinden. Printing on demand van je manuscript via bijvoorbeeld internetaanbieder Amazon kost relatief weinig, genereert aandacht en levert in ieder geval iets op. Hetzelfde manuscript als e-book is echter veel aantrekkelijker: nauwelijks kosten en 70% opbrengst van elk verkochte titel. What are we waiting for? Een woordenboek Nederlands-Engels heb ik al.
Kees M. Paling is cultuursocioloog en auteur van zeven boeken
woensdag 12 september 2012
Einde der verkiezingen
door Hans Kuitert
UTRECHT, ….
Wat de Maya-kalender zegt van 12 september is niet helder. Wel wat er precies honderd dagen later staat te gebeuren: het einde van de wereld. Althans, volgens de interpretatie van de doemdenkers en volgens recent onderzoek van het persbureau Reuters liefst 10 procent van de huidige wereldbevolking, zo’n 70 miljoen mensen dus. Als die 10 procent representatief is, dan zouden 1,67 miljoen Nederlanders morgen (vandaag) de moeite niet eens willen nemen het rode potlood aan te raken.
Formeren in de polder duurt zeker langer dan honderd dagen. Dus waarom bang voor Samson in het Torentje, of Rutte? Op 21 december is het toch allemaal voorbij. Krijgen alle politici hun zin: geen Europa, geen Euro, geen staatsschuld, geen later pensioen, in één klap worden alle hypotheken voorgoed afgelost.
Cultuursocioloog Kees Paling denkt niet dat het zo’n vaart zal lopen. “Maar wat als tegen die tijd die 10 procent van de mensheid doordraait? Het zou zo maar kunnen”. Massahysterie, er zijn genoeg voorbeelden van. “Als mensen ineens massaal het zekere voor het onzekere nemen. Met de auto naar de Ardennen gaan omdat je hogerop meer overlevingskans hebt, dan komt zo’n voorspelling toch een beetje uit.”
Het zindert steeds harder, de angst voor het bittere einde. Op een website einde2012.nl tikken de seconden al weg. Bijgeloof? Lachwekkend? Misschien, maar wereldwijd – ook in ons land - zijn mensen zich aan het ingraven om die ‘einddag’ te overleven. Want bij ieder Armaggeddon hoort een handjevol overlevenden. De voorspellingen over het einde van de wereld kwamen ook niet uit in de nacht van 31 december 1999 en 1 januari 2000. Ook niet toen Harold Camping, een Amerikaanse onheilsevangelist, vorig jaar de ondergang van de wereld voorspelde.
Basis voor het doemdenken is de Maya-kalender. Die voorspelt na een cyclus van ruim 5000 jaar de onderging van de wereld op 21 december, al zijn er nu ook wetenschappers die de einddatum in 2208 leggen, als iedere Nederlander tot z’n 100ste moet doorwerken. Hoe dan ook het einde der tijden komt eraan, met een wisseling van de magnetische polen of andere desastreuze natuurverschijnselen, zoals vloedgolven en uit elkaar barstende vulkanen. Zoals een winterzonnewende rond 21 december. Dan staan zon en aarde precies in één lijn met het centrum van het Melkwegstelsel, een verschijnsel dat eens in de 26.000 jaar plaatsvindt. De zwaartekracht raakt er door van streek. Uit het heelal kan een mysterieuze planeet opduiken, de zon explodeert.
Paling vindt het een interessant verschijnsel. “De voorspellingen komen nooit uit, maar voor wie erin gelooft is het nooit afstel, altijd uitstel. Er zit altijd een datum aan vast en dat versterkt het idee dat het echt gaat gebeuren. Het zit diep in de genen van mensen, de vrees dat het een keer uit de hand zal lopen. Dat zie je in alle overleveringen, in alle religies. Mensen zijn bange wezens, veiligheidsfreaks tegenwoordig. Ze willen alle risiso’s uitsluiten. En ze raken op tilt als ze het niet kunnen voorzien of beheersen.”
De afgelopen jaren zijn we overstelpt met boeken over de dag des oordeels. De Antwerpenaar Patrick Geryl schreef zich er suf over en zag zijn bankrekening flink aanzwellen. Hij heeft ook praktische tips en natuurlijk een website. Om te overleven moet je hoog op een berg zitten. Geryl heeft er een handeltje van gemaakt door grond te kopen op de Drakensbergen in Zuid-Afrika, waar degenen die willen overleven zich tegen stevige betaling kunnen inkwartieren. In de Pyrenneëen hebben mensen zich al ingegraven en op veel plekken zijn mensen aan het hamsteren geslagen. Je weet maar nooit, tenslotte.
Voortekenen kunnen er ook zijn. Zo is er de profetie dat de huidige paus de laatste of een-na-laatste is voor Petrus van Rome terugkeert en de dag des oordeels nadert. “Dus als de paus gaat kwakkelen in november, zou ik er toch niet gerust op zijn”, smaalt Paling.
De Telegraaf 12 september 2012
donderdag 7 juni 2012
Van Oranje crisis tot apocalyps
Voor even zit de Nederlandse economie in een oranje wolk. Plasmaschermen vliegen de winkels uit, EK-gadgets worden je bij elke kassa opgedrongen en bier en chips worden massaal gehamsterd. De crisis lijkt voor even vergeten. Brood en spelen – het werkt al 2000 jaar – als vlucht uit de harde werkelijkheid. Maar als wij er straks in de kwartfinale uitvliegen – inderdaad, dit wordt een zwart scenario – zal de klap alleen maar harder zijn. Want wie wil dan nog een tweedehands plasmascherm met oranje vlekken?
Om de crisis te bedwingen worden voortdurend nieuwe maatregelen bedacht: de omvang van het Europees steunfonds wordt vergroot (naast de Grieken eventueel ook de Italianen, Spanjaarden, Portugezen), het doel wordt verbreed (naast landen nu ook banken) en vanuit Brussel bepleit men steeds zwaardere centrale bevoegdheden. Dat alles om de geruststellende illusie te wekken dat tenminste iemand iets onder controle heeft. Tevergeefs, want de laatste maanden is maar één ding duidelijk geworden: niet Brussel of Den Haag, maar de markt regeert. De markt van speculanten, consumenten en kiezers. Ondanks alle reddingspogingen ligt Griekenland nu op de rand van faillissement en dreigt een exit uit de Eurozone. Vaarwel ∑uro, hallo Drachme. En als de financiële markten hier niet voor zorgen, dan zijn het wel de Griekse kiezers. Want wat er in alle scenario’s steevast wordt vergeten is de eigen dynamiek van sociale en politieke ontwikkelingen. Ontwikkelingen die elkaar zodanig kunnen versterken, dat er processen op gang komen die niemand individueel zou hebben gewenst. Een doomsday scenario.
Ondanks vertrouwenwekkende bezuinigingsplannen is de rente op Spaanse en Italiaanse staatsobligaties torenhoog. Met een krimpende economie houdt geen enkel land dat vol. Tegelijkertijd zijn Spanje en Italië te groot om door Europa van een faillissement te worden gered.
Na de Grieken zullen ook de Spanjaarden en Italianen hun eurotegoeden veilig willen stellen door ze weg te halen bij de onbetrouwbare nationale banken. De in gevaar verkerende Spaanse en Italiaanse banken zijn echter te groot om door de landen zelf te worden gered. Vandaar dat men dan onvermijdelijk bij Europa uitkomt.
Die bizarre situatie doet zich echter in elk land van de eurozone voor: de bankensector is te omvangrijk om door de eigen nationale economie te worden opgevangen. Dat betekent dat er op Europees niveau al geruime tijd een spelletje blufpoker wordt gespeeld, met Europa en het steunfonds als een soort bordkartonnen voorgevel met marmeren stoep en bladgoud op de deur, en daarachter een stinkend moeras van aan bederf onderhevige valuta, pandbrieven en schuldbekentenissen. Hoe lang blijft het reddingsverhaal nog geloofwaardig?
Inmiddels is na de Franse banken ook zelfs de rating van de Duitse banken naar beneden bijgesteld. Niet-Europese banken kopen inmiddels geen (goedkope!) euro’s meer aan. Is de boel aan het schuiven?
Een beginnend economisch herstel zou een lichtpuntje kunnen vormen, maar dat is nu juist ver te zoeken. De economie krimpt en de grootste bezuinigingen en ontslaggolven moeten nog komen. Ondanks feestdagen en EK-koorts is in heel Europa de omzet van de detailhandel fors gedaald. En ook de landen buiten Europa merken nu de gevolgen van de dalende koopkracht op de Europese markt. De wereldhandel stagneert en de dubbele dip in de economie dreigt een blijvertje te worden. De sociale gevolgen van zo’n ontwikkeling laten zich raden. In Zuid-Europa is de werkloosheid al historisch hoog en nadert de jeugdwerkloosheid de 50%. Met name dat laatste is doorgaans een beproefd recept voor sociale onrust en politieke radicalisering. Dat zal doorwerken in eventuele (afgedwongen) verkiezingen. Voeg daarbij een anti-Europees sentiment en het politieke draagvlak voor de Europese Unie, de eurozone en de euro kalft af..
Als we nu alle geruststellende verhalen even vergeten en we voegen nog wat natuurrampen en onheilsvoorspellingen toe, dan valt er voor het najaar van 2012 een mooi zwart scenario te schetsen waarop menig thrillerschrijver jaloers zou zijn. Door aanhoudende bezuinigingen en faillissementen, dalende koopkracht en stijgende werkloosheid komt de economie in een triple dip, waarvan het eind voorlopig niet in zicht lijkt. Zoals George Soros begin juni al voorspelde, verzwakt de Duitse economie in het derde kwartaal en vervliegt daarmee de laatste hoop op herstel. De Griekse kiezers stemmen voor een radicale koers en Griekenland verlaat de eurozone. In Europa wordt koortsachtig gewerkt aan de redding van Spaanse, Italiaanse en Franse banken, maar dit leidt niet tot het gewenste vertrouwen bij speculanten, spaarders en consumenten. Bij vervroegde verkiezingen in verschillende (Zuid) Europese landen neemt de invloed van radicale, vaak anti-Europese partijen toe. Het laatste kwartaal van 2012 zijn de grotere Europese steden het toneel van stakingen, demonstraties, rellen en plundering. Buitenlandse investeringen lopen terug en toerisme en binnenlandse bestedingen dalen naar een historisch dieptepunt. Aan de andere kant van de oceaan is begin november het schuldenplafond terug en verworden tot het centrale discussiepunt van de Amerikaanse verkiezingen. In juni had de Republikeinse voorzitter van het Huis van Afgevaardigden al een voorschot genomen op deze situatie. De Federale Bank haalt trucs uit om een faillissement over de jaarwisseling heen te tillen, maar de ratings dalen en de rente stijgt. Ook onder Amerikaanse burgers bereikt het vertrouwen in de regering en de toekomst een naoorlogs dieptepunt. Naast economische crisis en sociale onrust wordt de wereld dat najaar ook nog eens geteisterd door natuurrampen – orkanen, aardbevingen, vulkaanuitbarstingen, overstromingen, sneeuwstormen. Niet langer de markt, maar de chaos regeert. Wie gaat er dan geen geloof hechten aan een voorspelling van de oude Maya’s, dat op 21 december 2012 de wereld ten einde loopt? In de donkere dagen voor Kerst zullen alle media het thema omarmen en zal iedereen elk nieuw slecht bericht beschouwen als een bevestiging van de juistheid van de voorspelling. Dat is het begin van een self fulfilling prophecy: als mensen denken dat er iets gaat gebeuren, zullen ze daarnaar handelen en daarmee de voorspelling laten uitkomen. Als de Spanjaarden denken dat hun banken op omvallen staan, zullen ze al hun spaartegoeden weghalen en daarmee de val van de bank zelf veroorzaken. Als iedereen denkt dat benzine, drinkwater of blikvoedsel schaars worden, zal men deze gaan hamsteren, totdat inderdaad alles op is. Als alle Europeanen op 20december op de vlucht slaan voor een naderende ramp – welke dan ook – zal de chaos compleet zijn. Is dat te voorkomen? Waarschijnlijk niet. Natuurgeweld en autonome ontwikkelingen kennen een eigen dynamiek en geruststellende verklaringen van overheidswege gelooft tegen die tijd niemand meer. Gelukkig heeft de markt nog wel een oplossing voor de meer gefortuneerden onder ons: een slimme Belg schreef drie bestsellers over het naderend onheil en investeerde de opbrengst daarvan op de enige plek op aarde die volgens hem veilig is: de Drakensbergen in Zuid-Afrika. Boven de 2000 m. kocht hij grond en bouwde hij container huizen die eind dit jaar te huur zijn. Haast u, de tijd dringt en de plekken zijn schaars. En vergeet de kerstboom niet.
woensdag 21 september 2011
Griekse tragedie opmaat tot rampjaar 2012
Een Griekse tragedie is niet leuk om naar te kijken en al helemaal niet als deze zich in de werkelijkheid afspeelt. Ernstig is het, wanneer de regisseurs tijdens de voorstelling blijven roepen ‘dat het goed afloopt’, terwijl later blijkt dat het tegendeel het geval is. Of nog erger: de regisseurs blijken de regie niet eens in handen te hebben, waardoor iedereen nu wacht op het onvermijdelijke want klassieke noodlot. Natuurlijk, er wordt nog wat gekwebbeld over wel of niet in de eurozone en een ‘planmatig’ faillissement, maar dat klinkt net zo onprofessioneel als een gefaseerde onthoofding. Het komt er gewoon op neer dat men de bewegingen van de markt niet in de hand heeft noch deze kan voorspellen. En het maakt niet uit of de Grieken nu wel of niet in de eurozone zitten want de eurolidstaten geven ieder voor zich staatsobligaties uit en de zwakkere broeders – zoals de Italianen – zullen steeds hogere rentes moeten gaan betalen als hun kredietwaardigheid inzakt. Tegelijkertijd krijgen alle Europese banken die de Grieken geld geleend hebben een behoorlijke schadepost te verwerken, met alle gevolgen voor hun notering op de beurs.
Het vreemde is vooral, dat in al die jaren kennelijk niemand de Griekse problemen heeft zien aankomen. En ook nu had ieder weldenkend mens op zijn vingers kunnen natellen dat de Griekse ‘oplossingen’ niet zouden werken. Hogere belastingen? Bij de huidige Griekse belastingmoraal levert dat dus niets op. Verkoop van staatsbedrijven? Met de Griekse ambtelijke cultuur in gedachten wil niemand die bedrijven hebben. Economische groei? Vergeet het maar. ‘Read my lips’: na een onafwendbaar Grieks bankroet zullen de scenario’s van minister De Jager verbleken bij de economische nachtmerrie die straks door Europa waart. Want terwijl in de eurozone bezuiniging op bezuiniging wordt gestapeld zullen deze herfst naast de bladeren ook de aandelenkoersen, winstverwachtingen, economische groeicijfers, waarde van de euro, koopkracht van de burger en vertrouwen van de consument in een neerwaartse spiraal terechtkomen.
Dat zwartste scenario – waar niemand aan wil denken, laat staan over spreken – vormt echter slechts de opmaat voor het rampjaar 2012. Onder het motto ‘you ain’t seen nothing yet’ zal de Amerikaanse verkiezingsstrijd de doodssteek toebrengen aan de zieltogende wereldeconomie.
Dan zal namelijk blijken dat het zo moeizaam bevochten ‘kredietplafond’ niet veilig na de verkiezingen wordt bereikt, maar al veel eerder, midden in de verkiezingsstrijd. De ‘veilige’ tijdhorizon was gebaseerd op een redelijke mate van economische groei. Blijft die groei uit, dan komt dat plafond weer razendsnel dichterbij. Met twee onverzoenbare partijen die in het najaar van 2012 beide kiezen voor een ‘alles of niets’ opstelling (‘No, we cannot’), vormt dat een grote bedreiging voor de Amerikaanse kredietwaardigheid en daarmee de wereldeconomie.
Twintig jaar geleden – in een periode van hoogconjunctuur - stelde de Amerikaanse politicoloog en filosoof Francis Fukuyama nog dat met de val van de muur en het eind van het Sovjet-imperium het Einde van de Geschiedenis was bereikt: de kapitalistische markteconomie en de liberale democratie hadden zich als hoogste menselijke vorm van beschaving bewezen. Inmiddels kunnen we vaststellen dat het eind van de geschiedenis inderdaad aanstaande is, alleen op een andere manier dan Fukuyama destijds had voorzien. Het financiële systeem van de kapitalistische markteconomie hangt voortdurend aan de rand van de afgrond en de liberale democratieën van de wereld hebben hier geen antwoord op.
Jaren later brak bij Fukuyama een nieuw inzicht door dat nu weer actueler is dan ooit. In het boek ‘Trust’ beschreef hij hoe de economische, sociale en politieke systemen in de wereld uiteindelijk allemaal zijn gebaseerd op vertrouwen. Het vertrouwen dat een klant zijn rekening betaalt, al bevindt hij zich aan de andere kant van de wereld; het vertrouwen dat de bank de waarde van jouw bankbiljetten garandeert, het vertrouwen dat de staat jou veiligheid, zorg en rechtszekerheid biedt en dat je familie en vrienden je opvangen wanneer dat nodig mocht blijken. Dat fundamentele vertrouwen is al jaren aan het slinken, met alle gevolgen van dien voor onze samenleving. Het terugwinnen van dat vertrouwen is de belangrijkste opgave voor de politici in de liberale democratieën. Vertrouwen in de politiek, vertrouwen in de economie, maar vooral vertrouwen in de toekomst. Dat vergt meer dan ooit het overstijgen van politieke tegenstellingen, het samenwerken op het internationale vlak en in de politieke sfeer bovenal creativiteit, lef en visie. De vraag die wij ons als westerse kiezers dan ook moeten stellen is, of wij de leiders gekregen hebben die we verdienen of die we nodig hebben.
Kees M. Paling
is publicist en auteur van o.a. Het Fin de Siècle als uitdaging.
Het vreemde is vooral, dat in al die jaren kennelijk niemand de Griekse problemen heeft zien aankomen. En ook nu had ieder weldenkend mens op zijn vingers kunnen natellen dat de Griekse ‘oplossingen’ niet zouden werken. Hogere belastingen? Bij de huidige Griekse belastingmoraal levert dat dus niets op. Verkoop van staatsbedrijven? Met de Griekse ambtelijke cultuur in gedachten wil niemand die bedrijven hebben. Economische groei? Vergeet het maar. ‘Read my lips’: na een onafwendbaar Grieks bankroet zullen de scenario’s van minister De Jager verbleken bij de economische nachtmerrie die straks door Europa waart. Want terwijl in de eurozone bezuiniging op bezuiniging wordt gestapeld zullen deze herfst naast de bladeren ook de aandelenkoersen, winstverwachtingen, economische groeicijfers, waarde van de euro, koopkracht van de burger en vertrouwen van de consument in een neerwaartse spiraal terechtkomen.
Dat zwartste scenario – waar niemand aan wil denken, laat staan over spreken – vormt echter slechts de opmaat voor het rampjaar 2012. Onder het motto ‘you ain’t seen nothing yet’ zal de Amerikaanse verkiezingsstrijd de doodssteek toebrengen aan de zieltogende wereldeconomie.
Dan zal namelijk blijken dat het zo moeizaam bevochten ‘kredietplafond’ niet veilig na de verkiezingen wordt bereikt, maar al veel eerder, midden in de verkiezingsstrijd. De ‘veilige’ tijdhorizon was gebaseerd op een redelijke mate van economische groei. Blijft die groei uit, dan komt dat plafond weer razendsnel dichterbij. Met twee onverzoenbare partijen die in het najaar van 2012 beide kiezen voor een ‘alles of niets’ opstelling (‘No, we cannot’), vormt dat een grote bedreiging voor de Amerikaanse kredietwaardigheid en daarmee de wereldeconomie.
Twintig jaar geleden – in een periode van hoogconjunctuur - stelde de Amerikaanse politicoloog en filosoof Francis Fukuyama nog dat met de val van de muur en het eind van het Sovjet-imperium het Einde van de Geschiedenis was bereikt: de kapitalistische markteconomie en de liberale democratie hadden zich als hoogste menselijke vorm van beschaving bewezen. Inmiddels kunnen we vaststellen dat het eind van de geschiedenis inderdaad aanstaande is, alleen op een andere manier dan Fukuyama destijds had voorzien. Het financiële systeem van de kapitalistische markteconomie hangt voortdurend aan de rand van de afgrond en de liberale democratieën van de wereld hebben hier geen antwoord op.
Jaren later brak bij Fukuyama een nieuw inzicht door dat nu weer actueler is dan ooit. In het boek ‘Trust’ beschreef hij hoe de economische, sociale en politieke systemen in de wereld uiteindelijk allemaal zijn gebaseerd op vertrouwen. Het vertrouwen dat een klant zijn rekening betaalt, al bevindt hij zich aan de andere kant van de wereld; het vertrouwen dat de bank de waarde van jouw bankbiljetten garandeert, het vertrouwen dat de staat jou veiligheid, zorg en rechtszekerheid biedt en dat je familie en vrienden je opvangen wanneer dat nodig mocht blijken. Dat fundamentele vertrouwen is al jaren aan het slinken, met alle gevolgen van dien voor onze samenleving. Het terugwinnen van dat vertrouwen is de belangrijkste opgave voor de politici in de liberale democratieën. Vertrouwen in de politiek, vertrouwen in de economie, maar vooral vertrouwen in de toekomst. Dat vergt meer dan ooit het overstijgen van politieke tegenstellingen, het samenwerken op het internationale vlak en in de politieke sfeer bovenal creativiteit, lef en visie. De vraag die wij ons als westerse kiezers dan ook moeten stellen is, of wij de leiders gekregen hebben die we verdienen of die we nodig hebben.
Kees M. Paling
is publicist en auteur van o.a. Het Fin de Siècle als uitdaging.
maandag 1 augustus 2011
Stijg naar hogere kunst met Doe-eens-gek-fonds
In zijn inspirerende bijdrage aan de krant van afgelopen woensdag, zette Tijn Touber uiteen hoe ‘ware kunst voortkomt uit een ander bewustzijn’. Hij maakte daarbij terecht onderscheid tussen ‘een kunstje’ en De Kunst, tussen het vakmanschap van Eric ‘slowhand’ Clapton en de genialiteit van Jimi ‘voodoo child’ Hendrix. Aan het eind van het betoog ontbrak echter een conclusie waardoor het geheel vooral het karakter kreeg van een statement. Daar is op zichzelf niets op tegen, maar omdat er meer in zit hieronder een poging de draad op te pakken waar Touber een gevoelige snaar heeft geraakt.
Het onderscheid dat Touber maakt, wordt namelijk ook gebruikt in het beleid van de overheid. En dan niet alleen in het kunstbeleid; het onderscheid gaat veel verder. Het ‘kunstje’ staat dan voor het vakmanschap van een kunstenaar, een wetenschapper en een ondernemer. Dankzij dat vakmanschap kan de samenleving genieten van concerten en theateruitvoeringen, van de resultaten en toepassingen van gedegen onderzoek en de beschikbaarheid van producten en diensten tegen een concurrerende prijs. Het hart van Touber gaat echter duidelijk uit naar de vertegenwoordigers van De Kunst, de geniale vernieuwers die de samenleving een nieuw perspectief op de werkelijkheid kunnen bieden:
de Picasso’s in de kunst, de Flemings in de wetenschap en de Steve ‘Ipad’ Jobsen in het bedrijfsleven.
Maar zoals Touber al beschreef, kalkten de popfans in de jaren ’60 ‘Clapton = God’ op de muren in Londen. Omdat een tot in de perfectie beheerst vakmanschap door de massa wordt herkend en gewaardeerd, terwijl een geniale vernieuwer als Hendrix controversieel blijft, omdat een Messias, een bevrijder van oude patronen niet snel wordt geaccepteerd.
De geschiedenis leert, dat geniale invallen niet zijn te plannen en dat fundamentele vernieuwing vaak niet bij voorbaat valt te herkennen. Wetenschappelijke doorbraken dienen zich soms bij toeval aan, uitvindingen komen langs in een droom en nieuwe muziekstromen ontstaan tijdens het ‘jammen’ en experimenteren. Dan heb je een probleem als overheid, wanneer je naast ‘kwaliteit’ ook vernieuwing en innovatie wilt bevorderen. Want hoe wil je dat doen?
Er is een tijd geweest dat de overheid dan maar een regeling in het leven riep voor bijvoorbeeld elke Nederlander die een penseel kon vasthouden. Om voorgoed een Van Gogh-trauma te voorkomen en tegelijkertijd de voorwaarden te scheppen voor vele Nederlandse Picasso’s. Maar toen na vele jaren de kunstberg hoger was dan het IJsselmeer diep, leek een duidelijke grens bereikt. Het werkte niet. En datzelfde gold voor de latere commissies van ‘deskundigen’ die de ‘innovatie’ moesten bevorderen of die de voorwaarden moesten scheppen voor revolutionaire doorbraken in het wetenschappelijk onderzoek.
Het dilemma zit ‘m in de zekerheden die de overheid wenst en de onzekerheden die de kunstenaar/pionier opzoekt, in de vaste regels die de subsidieverstrekker hanteert en de gebaande paden die de subsidiegenieter nu juist verlaat. En zelfs als je ‘deskundigen’ inzet ter beoordeling van projecten zullen ook zij blind zijn voor perspectieven die buiten hun wereldbeeld of paradigma vallen.
Een interessante optie – die (let op!) alle zekerheden loslaat – is het scheppen van een fonds ‘Doe eens gek’. Een fonds met een beperkt budget, waaruit de dienstdoend staatssecretaris geheel naar eigen believen projecten kan steunen in de sfeer van cultuur, wetenschap en/of innovatie. ‘U wilt het Binnenhof inpakken? Morgen beginnen!’; ‘Bolbliksems? Wie weet, probeer het maar uit’. Het is een beleid met een beetje ‘Franse slag’; het leverde Parijs bijvoorbeeld de piramide bij het Louvre op – destijds zeer controversieel, maar thans niet meer weg te denken uit het Franse culturele erfgoed.
Het in het leven roepen van een dergelijk fonds zou op zichzelf al een interessant politiek experiment zijn. Het zou namelijk resulteren in het opgeven van zekerheden (investeren zonder garanties, geen afrekening op output) en het verlaten van gebaande paden. Want als politiek ook een vak en daarmee een kunstje is, dan is dit een manier om tot hogere Kunst te stijgen.
Kees M. Paling is publicist en auteur van o.a. ‘Het Fin de Siècle als uitdaging’.
Het onderscheid dat Touber maakt, wordt namelijk ook gebruikt in het beleid van de overheid. En dan niet alleen in het kunstbeleid; het onderscheid gaat veel verder. Het ‘kunstje’ staat dan voor het vakmanschap van een kunstenaar, een wetenschapper en een ondernemer. Dankzij dat vakmanschap kan de samenleving genieten van concerten en theateruitvoeringen, van de resultaten en toepassingen van gedegen onderzoek en de beschikbaarheid van producten en diensten tegen een concurrerende prijs. Het hart van Touber gaat echter duidelijk uit naar de vertegenwoordigers van De Kunst, de geniale vernieuwers die de samenleving een nieuw perspectief op de werkelijkheid kunnen bieden:
de Picasso’s in de kunst, de Flemings in de wetenschap en de Steve ‘Ipad’ Jobsen in het bedrijfsleven.
Maar zoals Touber al beschreef, kalkten de popfans in de jaren ’60 ‘Clapton = God’ op de muren in Londen. Omdat een tot in de perfectie beheerst vakmanschap door de massa wordt herkend en gewaardeerd, terwijl een geniale vernieuwer als Hendrix controversieel blijft, omdat een Messias, een bevrijder van oude patronen niet snel wordt geaccepteerd.
De geschiedenis leert, dat geniale invallen niet zijn te plannen en dat fundamentele vernieuwing vaak niet bij voorbaat valt te herkennen. Wetenschappelijke doorbraken dienen zich soms bij toeval aan, uitvindingen komen langs in een droom en nieuwe muziekstromen ontstaan tijdens het ‘jammen’ en experimenteren. Dan heb je een probleem als overheid, wanneer je naast ‘kwaliteit’ ook vernieuwing en innovatie wilt bevorderen. Want hoe wil je dat doen?
Er is een tijd geweest dat de overheid dan maar een regeling in het leven riep voor bijvoorbeeld elke Nederlander die een penseel kon vasthouden. Om voorgoed een Van Gogh-trauma te voorkomen en tegelijkertijd de voorwaarden te scheppen voor vele Nederlandse Picasso’s. Maar toen na vele jaren de kunstberg hoger was dan het IJsselmeer diep, leek een duidelijke grens bereikt. Het werkte niet. En datzelfde gold voor de latere commissies van ‘deskundigen’ die de ‘innovatie’ moesten bevorderen of die de voorwaarden moesten scheppen voor revolutionaire doorbraken in het wetenschappelijk onderzoek.
Het dilemma zit ‘m in de zekerheden die de overheid wenst en de onzekerheden die de kunstenaar/pionier opzoekt, in de vaste regels die de subsidieverstrekker hanteert en de gebaande paden die de subsidiegenieter nu juist verlaat. En zelfs als je ‘deskundigen’ inzet ter beoordeling van projecten zullen ook zij blind zijn voor perspectieven die buiten hun wereldbeeld of paradigma vallen.
Een interessante optie – die (let op!) alle zekerheden loslaat – is het scheppen van een fonds ‘Doe eens gek’. Een fonds met een beperkt budget, waaruit de dienstdoend staatssecretaris geheel naar eigen believen projecten kan steunen in de sfeer van cultuur, wetenschap en/of innovatie. ‘U wilt het Binnenhof inpakken? Morgen beginnen!’; ‘Bolbliksems? Wie weet, probeer het maar uit’. Het is een beleid met een beetje ‘Franse slag’; het leverde Parijs bijvoorbeeld de piramide bij het Louvre op – destijds zeer controversieel, maar thans niet meer weg te denken uit het Franse culturele erfgoed.
Het in het leven roepen van een dergelijk fonds zou op zichzelf al een interessant politiek experiment zijn. Het zou namelijk resulteren in het opgeven van zekerheden (investeren zonder garanties, geen afrekening op output) en het verlaten van gebaande paden. Want als politiek ook een vak en daarmee een kunstje is, dan is dit een manier om tot hogere Kunst te stijgen.
Kees M. Paling is publicist en auteur van o.a. ‘Het Fin de Siècle als uitdaging’.
zondag 27 februari 2011
Egyptische interventie in Libie?
Na de euforie over de Arabische Lente in Tunesië en Egypte overheerst nu toch vooral de zorg over de gewelddadigheden in Libië. De volksopstand die op verschillende plaatsen in het land voortwoedt, wordt met zeer harde hand neergeslagen. Kolonel Khadaffi schrikt er zelfs niet voor terug om de Libische luchtmacht in te zetten tegen de eigen bevolking. Tegelijkertijd zijn het diezelfde gewelddadigheden die de steun van de Libische leider verder doen afbrokkelen. Internationaal was er al nauwelijks steun voor het regime, maar inmiddels keren ook de Libische ambassadeurs in het buitenland en een enkele minister binnenslands zich van Khadaffi af. Er zijn berichten over militairen die in het oosten van het land de zijde van de opstandelingen kiezen en twee luchtmachtpiloten zijn met hun Mirage jachtvliegtuigen uitgeweken naar het nabijgelegen Malta. Dat tekent vooral de ontevredenheid en verdeeldheid binnen de strijdkrachten en mag zeker niet beschouwd worden als een opmaat tot een machtswisseling. Anders dan in Egypte – waar het leger een belangrijke rol speelde bij de machtsoverdracht van Moebarak – is het Libische leger op dit moment nauwelijks opgewassen tegen de eigen modern en zwaar bewapende milities en (presidentiële) garde van de Khadaffi-kliek. De laatsten hebben alles te verliezen, maar hetzelfde geldt inmiddels voor de opstandelingen die straks hun leven niet meer zeker zijn als de repressie opnieuw toeslaat. Voor hen is de keuze vooral: nu eervol sneuvelen op straat, of straks een langzame en ellendige dood sterven in de kerkers van de veiligheidsdienst.
Daardoor is het gevaar levensgroot dat de huidige gewelddadigheden in Libië uitlopen op een complete burgeroorlog – voor zover je de huidige bloedige confrontaties al niet zo kunt noemen.
En intussen vraagt de gehele internationale gemeenschap zich af: What makes Moammar run?
Niet de oproepen van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en evenmin de verzoeken van de Europese Unie. Ook een oproep van de Arabische Liga zal de kolonel naast zich neer leggen en een aanbod voor een vredesmacht van de Afrikaanse Unie zal hij direct afwijzen. Niemand heeft zich te bemoeien met de binnenlandse aangelegenheden van Libië.
De kolonel luistert nu eenmaal alleen naar de stem van de wapens. Een staatsgreep door het leger heeft hij altijd weten te overleven en zal ook ditmaal niet de oplossing zijn. De enige optie die overblijft om een einde te maken aan het bloedvergieten is een interventie door de Egyptische strijdkrachten, met wellicht symbolische steun vanuit Tunesië. (symbolisch, omdat het handjevol manschappen waaruit het Tunesische leger bestaat eigenlijk niet gemist kunnen worden in eigen land). Na een bombardement van Libische militaire luchtmachtbases kunnen de Egyptenaren een grondoffensief starten dat vrij snel zal kunnen oprukken door het oostelijke deel van Libië. De Egyptische militairen zullen er ongetwijfeld als bevrijders worden binnengehaald. En tegen de tijd dat de tankeenheden Tripoli naderen, is de kans groot dat de meeste ratten het schip zullen verlaten. Een aanleiding voor een interventie is snel gevonden: het molesteren door veiligheidstroepen van enkele van de vele Egyptenaren die in Libië verblijven. Verder zullen de Amerikanen, Fransen en Britten maar al te graag de Egyptische operatie met zowel diplomatieke als militair-tactische middelen ondersteunen.
De grote vraag is natuurlijk of de Egyptenaren een dergelijk buitenlands avontuur willen aangaan, met het risico dat zij straatgevechten moeten gaan leveren in Tripoli, of voorlopig in Libië zullen moeten blijven om de orde te handhaven. Dat laatste valt op te lossen door een overdracht aan een Afrikaanse vredesmacht. Het eerste is een keuze: willen de Egyptenaren hun Arabische broeders en zusters te hulp schieten? Of nemen ze het risico van een instabiel buurland aan de rand van een burgeroorlog? Wellicht is dit het moment voor VS- en EU diplomaten om de Egyptenaren een laatste duwtje te geven.
Abonneren op:
Posts (Atom)