maandag 6 december 2010

Fi donc! Het janhagel roert zich.....

De schaduwkanten van democratisering, individualisering en marktwerking hebben inmiddels ook de publieke arena veroverd. Valt de vulgarisering van onze samenleving nog te keren?

Kees M. Paling

Het grauw beheerst de publieke ruimte, het janhagel roert zich in de media en het schorriemorrie rukt op in politiek en bestuur. Het klinkt wellicht als een ondergangsvisioen van de Markies de Cantecleer, maar het is de vraag hoeveel mensen dit gevoel tegenwoordig delen. Nu kan de markies niet zeggen dat hij niet gewaarschuwd is. Zijn klasse-genoot, de Franse Comte de Tocqueville, waarschuwde in 1835 al voor de schaduwkanten van democratisering. Na een studiereis naar de Verenigde Staten beschreef deze cultuursocioloog avant la lettre in ‘De la democratie en Amerique’  onder meer de kwalijke gevolgen die democratisering op de lange duur kan hebben, zoals tirannie van de meerderheid en van de publieke opinie, gebrek aan intellectuele vrijheid en mede daardoor een ontwikkeling waarbij politiek, bestuur, onderwijs en literatuur afzakken tot het laagste niveau.
Hebben wij dit stadium inmiddels bereikt? De afgelopen decennia is het opleidingspeil van de Nederlanders voortdurend gestegen, maar het beschavingspeil lijkt omgekeerd evenredig gedaald. Ook het beschavingsoffensief van de verschillende kabinetten Balkenende (normen en waarden) wist hier geen verandering in te brengen: de omgangsvormen op straat en in het verkeer, de bejegening in winkels en bij overheidsloketten, het taalgebruik op internet en in de media – het is allemaal minder dan het geweest is. Hoe heeft het zover kunnen komen? Zeker, democratisering is een groot goed, maar in combinatie met de schaduwkanten van markt, media en individualisering roept het nu ontwikkelingen op die de samenleving langzaam maar zeker doen afglijden. Het is mooi dat de markt onze behoeften bevredigt, maar uiteindelijk draait het daar allemaal om geld en niet om inhoud. En zeker, het is goed dat ieder individu zich kan ontplooien, maar in combinatie met het immer lonkende marktaanbod leidt dat tot veeleisende en dus altijd ontevreden consumenten met een kort lontje. Men heeft rechten, geen plichten.
Zet diezelfde consumenten voor de tv en ze willen vermaakt worden, niet geïnformeerd. Die tendens, in combinatie met de marktwerking waaraan ook de media niet zijn ontkomen, leidt ertoe dat de media thans geregeerd worden door platvloersheid en oppervlakkigheid. De voorspellingen die mediagoeroe Neil Postman een kwart eeuw geleden deed in ‘Amusing ourselves to death’ zijn wat dat betreft geheel uitgekomen. De platheid van de moderne beeldbuis wordt alleen nog overtroffen door de platheid van de programma’s, met als ogenschijnlijk voornaamste doel het belachelijk maken van onze medeburgers. Ook de geschreven pers is niet ontkomen aan de combinatie van marktwerking en amusementshonger, waardoor ‘news became entertainment and entertainment became news’. Want de media zijn er voor het communiceren van…..ja, van wat eigenlijk? Moeten de media dan echt vooral een beeld geven van het slechtste, meest verdorven en meest platte dat onze samenleving te bieden heeft? Het laatste bastion van de publieke ruimte – het parlement – is inmiddels ook gevallen. Populisten – het woord is veel te positief – zetten de toon, daartoe uitgenodigd door regeringspartijen die hen een pseudo-ministerieel podium hebben bezorgd. Hun verkiezingswinst kwam – opmerkelijk genoeg – vooral uit de provincie waar men de gewraakte problemen slechts kent ‘van horen zeggen’. Dat zijn dus de gevolgen van het vervormde wereldbeeld dat de media uitbraken, in combinatie met de ‘krompraat’ van de populisten. Maar wat gebeurt er als je ‘onderbuikgevoelens’ toelaat in de levensader van de democratie? Wat gebeurt er als je het riool aansluit op de waterleiding? En hoe lang duurt het dan voor de stank van Weimar zich opdringt?

Het keren van dit soort ontwikkelingen is helaas nooit eenvoudig. Een eenvoudige oplossing is de roep om meer regels, strengere handhaving en vooral een sterke leider, ter linker- of ter rechterzijde. Maar die oplossingen zijn inmiddels vaak genoeg uitgeprobeerd, tot schade van de mensheid.
Een andere buffer was voorheen de maatschappelijke elite of intellectuele voorhoede, die problemen van een afstand kon beschouwen en de mogelijke oplossingen rationeel kon afwegen.
Helaas ontbreekt het tegenwoordig aan een geloofwaardige en gezaghebbende elite. De bankiers en ondernemers hebben hun krediet – letterlijk – verspeeld en in de politiek heersen opportunisme en hypocrisie (het verfrissende optreden van Rutte ten spijt). Waar zijn de geëngageerde kunstenaars? Waar zijn de journalisten die verder kijken dan hun column of kookrubriek? En zijn er nog wetenschappers die zich in méér verdiepen dan hun retort of chi-quadraat? Die moeten er nog zijn – de echte intellectuelen, die over hun eigen grenzen heenkijken. In de breedte over schotten en sectoren, in de verte achter de (kabinets)horizon, en in de diepte achter hun eigen motieven en beweegredenen. Maar als ze er al zijn, ontbreekt het aan onderlinge samenwerking en organisatie. In het gunstigste geval houden ze zich bezig met één thema. Duurzaamheid, spiritualiteit, gelijkheid, etc. Of ze verstoppen zich in de niches van de samenleving, waar kunst en wetenschap (nog) hun eigen leven leiden.
De intellectuele elite heeft zich het voortouw laten ontglippen en de populisten voeren nu het hoogste woord. Het is de hoogste tijd voor een tegenoffensief, om nog iets van beschaving te redden. En dat vereist moed en inzet, maar bovenal een moderne vorm van organisatie. Laat even alle niches op internet voor wat ze zijn, overwin de versnippering en ontmoet elkaar op een virtueel platform langs de elektronische snelweg, waarop iedereen die wil kan meeliften. Is er iemand die zoiets kan ontwerpen?

Kees M. Paling is cultuursocioloog en auteur van o.a. ‘Het Fin de Siècle als uitdaging’.

Eén Volk, één Rijk, één Logo

Kees M. Paling

In de in 2009 verschenen Haagse beleidsnovelle Het Geheim van Den Haag beschrijft auteur Joost Heldeman (pseudoniem van een Haagse topambtenaar) een hilarische situatie op Het Ministerie, wanneer zijn alter ego zich voor een herdruk van een brochure tot de afdeling Communicatie wendt. Het blijkt dat de afdeling Communicatie nieuwe stijl hem niet kan helpen, zolang er geen intake-gesprek heeft plaatsgevonden waarin een aantal vragen zijn beantwoord. Herdrukken – waar het allemaal om ging – doen ze sowieso niet, want tegenwoordig bestaat hun beleidsproduct louter en alleen uit advies. ‘Welk communicatieprobleem wil je oplossen? (…) Waarom is het belangrijk dat mensen dat weten?Is er een analyse gemaakt van hun probleemperceptie en hun informatiebehoefte?’ Beleidsambtenaar Heldeman druipt vervolgens af, op zoek naar andere oplossingen.

Spelers in het krachtenveld
Wie denkt dat dit fictie is, kan zich vervoegen op internet bij het communicatieplein.nl van de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD). Daar kan de bezoeker desgewenst digitaal bij de hand worden genomen bij het opstellen van een eigen communicatie-plan door het stapsgewijs invullen van de
c-planner. Er worden allerhande vragen gesteld over het wat, het wie en het hoe, zoals Wat is mijn opdracht? Wat zijn de stappen op weg naar het einddoel? Vul tenminste twee mijlpalen in binnen uw beleidstraject. Inventariseer de belangrijkste spelers in het krachtenveld’.  Wat de communicatie-adviseurs (nog) niet (willen) weten, maar de gelouterde beleidsambtenaar wel, is dat beleid een voortzetting is van politiek, maar dan met andere middelen. Einddoelen zijn dan lang niet altijd bekend of in ieder geval onduidelijk geformuleerd, zodat men er niet op kan worden afgerekend. En stappenplannen zijn er voor de buitenwacht, want het uiteindelijke beleidsproces loopt altijd anders.

Het bovenstaande voorbeeld is één van de ‘resultaten’ van een ontwikkeling die zich vooral in het eerste decennium van de 21ste eeuw afspeelde: het oprukken van de rijks-communicatie-adviseurs en daarmee samenhangend de centralisatie van het rijkscommunicatiebeleid en de uniformering van alle rijkscommunicatie-uitingen.

Inhaalslag
Het begon allemaal in 2001 met het eindrapport van de Commissie Wallage, die zich had gebogen over de toekomst van de overheidscommunicatie. De commissie concludeerde dat er door de overheid veel meer moest worden geïnvesteerd in communicatie. Dat bleek het startschot voor een soort inhaalslag op het communicatieterrein, nadat de beleidsafdelingen van de overheid al decennia lang een sterke groei hadden doorgemaakt. In tien jaar tijd was er sprake van een sterke groei – zo niet wildgroei – van het aantal persvoorlichters, publieksvoorlichters, woordvoerders, speech-schrijvers, communicatie-adviseurs en campagne-coördinatoren op alle departementen. Nemen we de groei bij de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) als voorbeeld. In 1998 telde de dienst 143 medewerkers en stond er voor alle voorlichtingsactiviteiten (inclusief materiaal- en personeelskosten) zo’n 16 miljoen gulden (oftewel ruim zeven miljoen euro) op de begroting. Inmiddels werkt een onbekend aantal medewerkers aan de ‘bevordering van de eenheid van het algemeen regeringsbeleid’, waarvoor op de begroting voor 2010 een bedrag van 72 miljoen euro is gereserveerd. Zo’n 45 miljoen daarvan komt voor rekening van de Dienst Publiek en Communicatie. Deze dienst is een uitvoerend onderdeel van de RVD, die medio 2002 werd opgewaardeerd tot een directoraat-generaal.

Richtlijn
Was er in de laatste decennia van de 20ste eeuw nog een discussie tussen de rekkelijken  en de preciezen over de grenzen van de overheidsvoorlichting – toelichten van beleid was prima, maar het verdedigen van politieke voornemens ging te ver – na de Commissie Wallage was het standaardprocedure dat communicatie-adviseurs ook de politieke ambities van een bewindspersoon ondersteunden. U begrijpt: de preciezen verloren de strijd en in één jaar tijd werd niet minder dan de helft van de departementale hoofden voorlichting vervangen. Inmiddels bestaat er zelfs een Richtlijn niet aanvaard beleid, die haarfijn uit de doeken doet wat er wel en wat er niet kan.

Afspraken
Na de Commissie Wallage trad de Commissie Wolffensperger aan en deze pleitte medio 2005 voor meer eenheid in de presentatie van het kabinetsbeleid. En terwijl het regeringsbeleid zich de afgelopen jaren kenmerkte door decentralisatie, deregulering en verzelfstandiging van rijksonderdelen, blonk de overheidsvoorlichting uit in centralisatie en regeldrift. Zo riep de RVD onder de titel ‘afspraken’
een publicatiereeks in het leven waarin richtlijnen en procedures op het gebied van overheidscommunicatie werden vastgelegd. Maar de meest ingrijpende ontwikkeling was wel dat het pleidooi voor meer eenheid van beleid tot in de uiterste consequentie werd doorgevoerd. Vormgevers en communicatie-consultants zetten samen met een aantal rijksbrede voorlichtingsambtenaren een mega-project op stapel dat onder het motto ‘één logo’ alle communicatie-uitingen van vrijwel alle rijksonderdelen op één noemer moest brengen. Van de Raad voor de Kinderbescherming tot de Plantenziektekundige Dienst, van de Koninklijke Marine tot het Staatstoezicht op de Mijnen, van het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking tot het KNMI, van het Centraal Planbureau tot het Donorregister en van jeugdinrichting De Lindenhorst tot de Dienst Terugkeer en Vertrek – iedereen moest eraan geloven. Van de website tot het intranet, van de burgerbrief tot de publicatie, van het interne memo tot de externe factuur, van het declaratieformulier tot de (herdrukte) brochure en van de powerpoint presentatie tot de visitekaartjes tot de naamborden op de gevel: alles moet aangepast. U ziet: hier is over nagedacht. En dan niet alleen hetzelfde logo, maar ook opzet, afmeting, kleurgebruik, lettertype, illustratiegebruik, kortom, alles werd tot op de millimeter voorgeschreven. Dus mocht u straks een communicatie-uiting van één van de rijksonderdelen vóór of onder ogen krijgen, let dan héél goed op de kleine lettertjes naast het Rijkslogo, want alleen dááruit kunt u afleiden wie de afzender is.

DDR-stijl
Zo ongelukkig als de verschillende rijksonderdelen mogen zijn met deze centrale regie in nostalgische DDR-stijl, zo geïrriteerd zijn de journalisten inmiddels over het optreden van het leger van voorlichters en communicatie-adviseurs. Een commissie onder leiding van Telegraaf-hoofredacteur Sjuul Paradijs sprak al eens van ‘propaganda-activiteiten’, omdat ‘de overheid tegenwoordig al begint te communiceren voor er besluiten zijn genomen’. Paradijs bepleit een halvering van het budget voor overheidsvoorlichting en daarmee ook voor halvering van het aantal voorlichters.
Maar de journalisten staan niet alleen in hun kritiek. Ook de Commissie Brinkman – door minister Plasterk ingesteld om na te denken over de toekomst van de pers – concludeerde eind 2009 ‘dat de overheid op alle bestuursniveau s een steeds groter wordend leger van communicatiefunctionarissen op de been brengt om de toegang tot nieuwsbronnen te beheren’. De commissie wil daarom ‘uitdrukkelijk het functioneren van de enorme capaciteit aan communicatiefunctionarissen, gericht op beïnvloeding van de journalistiek, ter discussie stellen’.  Deze kanttekening heeft inmiddels tot vragen in de kamer geleid, maar van een duidelijke politieke reactie was tot op heden nog geen sprake. Het lijkt erop dat het kabinet – net als bij het megaproject ‘één logo’ – zich heeft voorgenomen om dan bij tenminste één project voet bij stuk te houden. Ongeacht de consequenties.

De ontwikkelingen in de tweede decennium van de 21ste eeuw laten zich raden. De communicatie-adviseurs van de Europese Unie ontwikkelen een Europees logo met dito huisstijl die in het derde decennium in alle communicatie-uitingen van alle lidstaten moeten worden geïmplementeerd. En dat alles omwille van de eenheid van Europa en de herkenbaarheid van de Unie voor alle burgers.

Kees M. Paling: Het Postbus 51 regeren, in: Intermediair, 3 april 1992.
Kees M. Paling: De wereld als halve waarheid. Een inleiding in de pseudologie, Bzztôh, 1990.
Kees M. Paling: Postbus 2051.nl; enkele maatschappelijke ontwikkelingen die van belang kunnen zijn voor de overheidscommunicatie in de toekomst, SCP, Den Haag, september 2000.
Kees M. Paling: Stimuleren of manipuleren? De Nederlandse overheidsvoorlichting in historisch perspectief, in: Jo Bardoel en Jan Bierhoff (red.): Communicatie; werking, invloed, Wolters-Noordhoff, Groningen 1993.

De beschaving van de Islam

Ground Zero lijkt uitgegroeid tot een soort heilige grond voor de kruisvaarders die de War on Terror hebben omgedoopt in een heilige oorlog tegen de Islam. Als ergens de Clash of civilizations van Huntington gestalte krijgt, dan is het deze weken wel rond die tientallen vierkante meters in Manhattan. Inmiddels is duidelijk dat 9/11 een dramatische omslag betekende in de beeldvorming rond niet-westerse allochtonen in het algemeen en de volgelingen van Mohammed in het bijzonder. Was de houding van de Europese burgerij jegens de gezinnen van de voormalige gastarbeiders aan het eind van de 20ste eeuw op zijn zachtst gezegd al weinig gastvrij, na de aanslag op de Twin Towers veranderde dit in een onverholen wantrouwen jegens alles wat Mohammedaan was. Iedereen met een baard en een Mediterraan of Oosters uiterlijk werd een potentiële terrorist en de godsdienst die zij beleden werd afgedaan als barbaars en achterlijk.
Nu moet gezegd worden dat de fundamentalistische moslims er ook alles aan deden om zo barbaars mogelijk voor de dag te komen. Talibaan-mannen dwongen de vrouwelijke bevolking om in burkha’s te lopen, terwijl vrouwen die slachtoffer waren van verkrachting gestenigd werden wegens overspel. Al-Quaida strijders ontvoerden westerse journalisten en zakenlieden en sneden hun gijzelaars voor het oog van de camera het hoofd af. Tegelijkertijd sneuvelden Nederlandse militairen in Uruzgan door Afghaanse bermbommen langs de weg.  Beelden en berichten die door de westerse media werden uitvergroot en die alle vooroordelen over de Islam meer dan bevestigden. Beeldvorming bovendien, waarvan een partij als de PVV dankbaar gebruik maakte voor een anti-Islam campagne, met alle bekende politieke gevolgen van dien.

Toch lijkt er de laatste jaren  sprake van een voorzichtige wending in de beeldvorming over en houding jegens de Islam. Een wending die deels lijkt ingegeven door de ervaringen op het Afghaanse strijdtoneel. Zo pleitten verschillende commandanten te velde de afgelopen jaren voor een dialoog met de gematigde Talibaan, om zo een politieke oplossing van het conflict dichterbij te brengen. Tegelijkertijd werd er door Europese intellectuelen en christelijke religieuze leiders een lans gebroken voor meer contacten met gematigde imams en gelovigen, omdat dit de beste waarborg zou zijn tegen radicalisering. (In 2004 was het bevorderen van een dergelijke dialoog zelfs één van de aanbevelingen van de jaarlijkse rapportage van de AIVD).

Tenminste zo interessant is de internationale literatuur, waarin de laatste jaren steeds vaker het beeld opduikt van de beschaving die de moslims naar Europa brachten, terwijl alhier nog de donkere Middeleeuwen heersten, vol bijgeloof, sektarisme en barbarij.
In titels als The Ornament of the World (Menocal, 2003), God’s Crucible (Lewis, 2008), The House of Wisdom (Lyons, 2009) en Science and Islam (Masood, 2010) wordt onder meer een beeld gegeven van de tolerante cultuur van Spaans Andalusië (Al-Andalus) onder de Moren en de wetenschappelijke vooruitgang in de Arabische wereld van destijds als geheel. Het is dit glorieuze tijdperk waaraan jonge Mohammedanen hun identiteit zouden kunnen ontlenen, veel meer dan aan de haatcampagnes van extreme fanatici. En als 9/11 dan misschien toch nog iets goeds heeft opgeleverd, dan is het wel deze herwaardering van de geschiedenis van de Arabische volken en de beschaving van de Islam.

Die brug naar begrip en verdraagzaamheid tussen culturen en bevolkingsgroepen kan eenvoudig weer teniet worden gedaan door de barricaden rond Ground Zero. Daar worden de tegenstellingen uitvergroot en alle nuances vergeten. Voor Nederland kan 9/11 dankzij de aangekondigde toespraak van Wilders zelfs weleens de doodsteek betekenen voor ons tolerante imago. Dan zal ook blijken wat het door Lubbers bedachte bijzondere meerderheidskabinet voor gevolgen heeft voor de publieke uitspraken van ‘de derde partij’. Wilders heeft zelf al aangegeven dat hij altijd en overal wil kunnen zeggen wat hij wil. De gedachte dat zijn uitspraken zijn te beteugelen via een gedoogakkoord is dan ook volstrekt naïef. Want al is er dan nog geen beoogd minister voor integratie, is er intussen wel degelijk een gedoogd minister voor integratie, die in binnen- en buitenland zijn zegje zal doen. De schade die dit zal toebrengen aan de verdraagzaamheid in de samenleving en de internationale beeldvorming rond Nederland valt op dit moment niet te overzien. Wel ligt het voor de hand dat het nieuwe kabinet straks voortdurend naar de Kamer zal worden geroepen om verantwoording af te leggen over de publieke uitspraken van ‘de derde partij’ in het zo bijzondere meerderheidskabinet. Of de onderhandelaars voldoende doordrongen zijn van die consequentie, is ten zeerste de vraag.


Kees M. Paling
Publicist en auteur van o.a. De wereld als halve waarheid

De krant was een meneer....

Kees M. Paling

De uitdrukking De krant is een meneer stamt uit lang vervlogen tijden en is inmiddels niet meer van toepassing op de huidige dagbladpers. Voorbij is de romantiek van het Londense Fleetstreet en de Amsterdamse Nieuwezijds Voorburgwal. Voorbij de tijd dat krantenmagnaten als Lord Beaverbrooke een dagblad kochten (Daily Express) louter en alleen om politieke invloed uit te oefenen of Freddy Sijthoff (Sijthoff Pers, Haagsche Courant ) die een dagblad bestierde omdat hij de journalistiek een warm hart toedroeg. Aan het eind van de 20ste eeuw zijn zij opgevolgd door media-tycoons als Rupert Murdoch, en Christian van Thillo (Persgroep) die toch vooral oog hebben voor de winstgevendheid van hun bedrijven. Het is één van de factoren die de ontwikkelingen in de dagbladpers van de afgelopen tien jaar sterk hebben beïnvloed. Een andere, daarmee samenhangende factor, is de voortdurende afname van het abonneebestand van de dagbladen. Gaf in 1997 nog 62% van de Nederlanders aan dat in hun huis een krant door de bus kwam, in 2008 was dit gedaald tot krap de helft van alle huishoudens. Bedenkelijk was, dat dit aandeel het laagst was onder de 25-45-jarigen en dat zich in deze leeftijdscategorie ook de sterkste daling had voorgedaan: van 54% in 1997 tot 33% in 2008. En dan hebben we het nog maar niet over de categorie tot 25 jaar, die zich vooral richt op internet en de mobiele telefoon. Dat belooft dus niet veel goeds voor de toekomst van de dagbladpers.

ADHD
In het eerste decennium van de 21ste eeuw verdwenen ook veel zelfstandige, vooral regionale en plaatselijke dagbladen. De Haagsche Courant (sinds 1864) van Freddy Sijthoff ging in 2005 op in het Algemeen Dagblad (AD/HC, in de wandelgangen spottend ADHD genoemd), evenals het Utrechts Nieuwsblad, de Amersfoortse Courant, De Dordtenaar, de Goudsche Courant, de Rijn en Gouwe en het Rotterdams Nieuwsblad.  En zo verging het ook veel dagbladen die tot de Wegener en de Telegraaf Media Groep behoorden. De poging om verliezen aan abonnees en advertenties te beperken haalden echter minder uit dan verwacht, want de oplagen bleven dalen. Een jaar geleden werden bij de ADcombinatie de zelfstandige redacties in de regio verder ingekrompen.
Mede ten gevolge van de economische crisis werden alle dagbladen de afgelopen jaren gedwongen tot bezuinigingen en reorganisaties.  Medio 2008 schrapte het AD ruim honderd redactionele plaatsen. Bij de Telegraaf Medio Groep gingen in diezelfde tijd zo’n 450 banen weg, onder andere bij de redactie van De Telegraaf. Volgens schattingen van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) verdwenen er de afgelopen vier jaar tussen de 600 en 700 banen in de dagbladsector, oftewel een kwart van het totale personeelsbestand. Die schatting dateerde van eind 2008 en de NVJ sprak toen de vrees uit dat het daarbij niet zou blijven. Die vrees is inmiddels bewaarheid geworden, want ook bij de De Volkskrant en bij Trouw verdwijnen 130 van de 750 banen. Eenzelfde ontwikkeling doet zich voor bij de persbureaus als het ANP en de GPD. Bij de laatste, werkzaam voor de regionale dagbladen,  is de redactie in Den Haag sinds 2005 vrijwel gehalveerd. Bij andere geschreven media, zoals weekbladen, wordt steeds meer gewerkt met een romp-redactie, die bij gelegenheid aangevuld wordt met een pool van free-lancers.

Jongensboek-journalistiek
Een andere ontwikkeling die de dagbladen parten speelt, is de concurrentie van radio en tv, maar de laatste jaren vooral van gratis dagbladen als Metro en Spits en de verschillende nieuwssites op het internet. Voor een deel dragen de dagbladen hier ook zelf toe bij met hun eigen websites. Ook indirect dragen zij bij via de medefinanciering van het ANP, dat een belangrijke nieuwsbron vormt voor de internetsites en de gratis media.

De vraag is natuurlijk welke gevolgen dit alles heeft voor de kwaliteit van de nieuwsgaring. Goede journalistiek kost tijd en mensen, vergt research, hoor en wederhoor, check en dubbelcheck, schrijven en schaven, kortom, alles wat we kennen  van All the president’s men en de jongensboek-journalistiek van Woodward en Bernstein. Zou zoiets onder de huidige Nederlandse verhoudingen mogelijk zijn? Het ergste moet worden gevreesd. Niet alleen ontbreekt het aan tijd, geld en mensen voor research – het nieuws moet tegenwoordig ook lichtvoetig of spectaculair zijn. Harde feiten, gedegen analyses of serieuze beschouwingen, daar moet men de lezer maar niet teveel mee lastig vallen.
Het was deze ontwikkeling die eind vorige eeuw een aantal Amerikaanse top-journalisten zozeer zorgen baarde, dat zij een Committee of Concerned Journalists oprichtten. Onder deze vlag deden zij allerlei onderzoek naar ontwikkelingen in de journalistiek. Eén van de verontrustende conclusies was, dat het lezerspubliek steeds minder vertrouwen had in de pers. In Nederland was dat het afgelopen decennium niet anders: had in 1999 nog driekwart van de Nederlanders vertrouwen in de schrijvende pers, in 2007 was dit gedaald tot  62%.

Dr. Clavan
Een andere Amerikaanse conclusie die ongetwijfeld ook op Nederland van toepassing is, was dat door een toenemend accent op winstgevendheid en een sterkere concurrentie ‘news was becoming entertainment and entertainment becoming news’.  Uit onderzoek bleek bijvoorbeeld dat weekbladen liever een film- of popster op de cover zetten dan een politicus of wetenschapper. Twintig jaar geleden lag die verhouding omgekeerd. Tevens bleek dat ‘meningen en opinies’ belangrijker waren geworden dan de eigenlijke feiten waarover ze hun licht lieten schijnen.
Natuurlijk is het makkelijker en goedkoper om een dr. Clavan of een talking head uit de Kamer te interviewen over een incident in Uruzgan dan daar zelf op een fact-finding missie te gaan. Maar hoe weet je dan of je de juiste toedracht weet? Van de Marechaussee? Het ANP? Van een ‘embedded’ journalist? Dan krijg je een vorm van journalistiek waarvan oorlogscorrespondent Edward Behr de dilemma’s zo mooi heeft samengevat in de titel van zijn memoires: ‘Anyone been raped and speaks English?’ En zoals vroeger de waarheid als eerste sneuvelde op het oorlogstoneel (lees de klassieker The First Casualty van Philip Knightley), zo zijn het tegenwoordig in een tijd van Haast, Hype en Gehijg eerst de nuances en daarna de feiten die op vele fronten het loodje leggen. Was dertig jaar geleden de historische blunder Massaslachting in Timisoara (gevolg van elkaar napratende internationale persbureaus) een uitzondering, tegenwoordig zijn dergelijke missers schering en inslag.

Infotainment
Tegen de achtergrond van verdere bezuinigingen en gezien het belang van de pers voor ons democratisch bestel zal het niet verwonderen dat minister Plasterk van Cultuur een commissie instelde die zich moest buigen over de toekomst van de Nederlandse pers. Deze Commissie Brinkman zoekt het vooral in samenwerking en innovatie. Maar uiteindelijk komt het erop neer dat Nederland de pers krijgt die het verdient. Zolang er genoeg mensen zijn die kennis en inzicht belangrijker vinden dan roddel en achterklap, en zolang er genoeg lezers zijn die daarvoor ook willen betalen, zullen er ondanks alle crises altijd kwaliteitskranten blijven bestaan. Want voor de andere media resteert er nog één wijze, Amerikaanse les: infotainment is voor nieuwsmedia op de lange duur een heilloze strategie. De verklaring is eenvoudig: echt entertainment is altijd leuker.


Kees M. Paling: De wereld als halve waarheid. Een inleiding in de pseudologie, Bzztôh, Den Haag, 1990.
Bill Kovach & Tom Rosenstiel: The elements of journalism. What newspeople should know and the public should expect, Random House, New York, 2001.
Nick Davies: Flat earth news, Chatto & Windus, London, 2008.
Philip Knightley: The first casualty. From the Crimea to Vietnam: the war correspondent as hero, propagandist and myth maker, Harcourt, New York, 1975.
Edward Behr: Anyone here been raped and speaks English?, Hamilton Books, New York, 1981.