Kees M. Paling
De uitdrukking De krant is een meneer stamt uit lang vervlogen tijden en is inmiddels niet meer van toepassing op de huidige dagbladpers. Voorbij is de romantiek van het Londense Fleetstreet en de Amsterdamse Nieuwezijds Voorburgwal. Voorbij de tijd dat krantenmagnaten als Lord Beaverbrooke een dagblad kochten (Daily Express) louter en alleen om politieke invloed uit te oefenen of Freddy Sijthoff (Sijthoff Pers, Haagsche Courant ) die een dagblad bestierde omdat hij de journalistiek een warm hart toedroeg. Aan het eind van de 20ste eeuw zijn zij opgevolgd door media-tycoons als Rupert Murdoch, en Christian van Thillo (Persgroep) die toch vooral oog hebben voor de winstgevendheid van hun bedrijven. Het is één van de factoren die de ontwikkelingen in de dagbladpers van de afgelopen tien jaar sterk hebben beïnvloed. Een andere, daarmee samenhangende factor, is de voortdurende afname van het abonneebestand van de dagbladen. Gaf in 1997 nog 62% van de Nederlanders aan dat in hun huis een krant door de bus kwam, in 2008 was dit gedaald tot krap de helft van alle huishoudens. Bedenkelijk was, dat dit aandeel het laagst was onder de 25-45-jarigen en dat zich in deze leeftijdscategorie ook de sterkste daling had voorgedaan: van 54% in 1997 tot 33% in 2008. En dan hebben we het nog maar niet over de categorie tot 25 jaar, die zich vooral richt op internet en de mobiele telefoon. Dat belooft dus niet veel goeds voor de toekomst van de dagbladpers.
ADHD
In het eerste decennium van de 21ste eeuw verdwenen ook veel zelfstandige, vooral regionale en plaatselijke dagbladen. De Haagsche Courant (sinds 1864) van Freddy Sijthoff ging in 2005 op in het Algemeen Dagblad (AD/HC, in de wandelgangen spottend ADHD genoemd), evenals het Utrechts Nieuwsblad, de Amersfoortse Courant, De Dordtenaar, de Goudsche Courant, de Rijn en Gouwe en het Rotterdams Nieuwsblad. En zo verging het ook veel dagbladen die tot de Wegener en de Telegraaf Media Groep behoorden. De poging om verliezen aan abonnees en advertenties te beperken haalden echter minder uit dan verwacht, want de oplagen bleven dalen. Een jaar geleden werden bij de ADcombinatie de zelfstandige redacties in de regio verder ingekrompen.
Mede ten gevolge van de economische crisis werden alle dagbladen de afgelopen jaren gedwongen tot bezuinigingen en reorganisaties. Medio 2008 schrapte het AD ruim honderd redactionele plaatsen. Bij de Telegraaf Medio Groep gingen in diezelfde tijd zo’n 450 banen weg, onder andere bij de redactie van De Telegraaf. Volgens schattingen van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) verdwenen er de afgelopen vier jaar tussen de 600 en 700 banen in de dagbladsector, oftewel een kwart van het totale personeelsbestand. Die schatting dateerde van eind 2008 en de NVJ sprak toen de vrees uit dat het daarbij niet zou blijven. Die vrees is inmiddels bewaarheid geworden, want ook bij de De Volkskrant en bij Trouw verdwijnen 130 van de 750 banen. Eenzelfde ontwikkeling doet zich voor bij de persbureaus als het ANP en de GPD. Bij de laatste, werkzaam voor de regionale dagbladen, is de redactie in Den Haag sinds 2005 vrijwel gehalveerd. Bij andere geschreven media, zoals weekbladen, wordt steeds meer gewerkt met een romp-redactie, die bij gelegenheid aangevuld wordt met een pool van free-lancers.
Jongensboek-journalistiek
Een andere ontwikkeling die de dagbladen parten speelt, is de concurrentie van radio en tv, maar de laatste jaren vooral van gratis dagbladen als Metro en Spits en de verschillende nieuwssites op het internet. Voor een deel dragen de dagbladen hier ook zelf toe bij met hun eigen websites. Ook indirect dragen zij bij via de medefinanciering van het ANP, dat een belangrijke nieuwsbron vormt voor de internetsites en de gratis media.
De vraag is natuurlijk welke gevolgen dit alles heeft voor de kwaliteit van de nieuwsgaring. Goede journalistiek kost tijd en mensen, vergt research, hoor en wederhoor, check en dubbelcheck, schrijven en schaven, kortom, alles wat we kennen van All the president’s men en de jongensboek-journalistiek van Woodward en Bernstein. Zou zoiets onder de huidige Nederlandse verhoudingen mogelijk zijn? Het ergste moet worden gevreesd. Niet alleen ontbreekt het aan tijd, geld en mensen voor research – het nieuws moet tegenwoordig ook lichtvoetig of spectaculair zijn. Harde feiten, gedegen analyses of serieuze beschouwingen, daar moet men de lezer maar niet teveel mee lastig vallen.
Het was deze ontwikkeling die eind vorige eeuw een aantal Amerikaanse top-journalisten zozeer zorgen baarde, dat zij een Committee of Concerned Journalists oprichtten. Onder deze vlag deden zij allerlei onderzoek naar ontwikkelingen in de journalistiek. Eén van de verontrustende conclusies was, dat het lezerspubliek steeds minder vertrouwen had in de pers. In Nederland was dat het afgelopen decennium niet anders: had in 1999 nog driekwart van de Nederlanders vertrouwen in de schrijvende pers, in 2007 was dit gedaald tot 62%.
Dr. Clavan
Een andere Amerikaanse conclusie die ongetwijfeld ook op Nederland van toepassing is, was dat door een toenemend accent op winstgevendheid en een sterkere concurrentie ‘news was becoming entertainment and entertainment becoming news’. Uit onderzoek bleek bijvoorbeeld dat weekbladen liever een film- of popster op de cover zetten dan een politicus of wetenschapper. Twintig jaar geleden lag die verhouding omgekeerd. Tevens bleek dat ‘meningen en opinies’ belangrijker waren geworden dan de eigenlijke feiten waarover ze hun licht lieten schijnen.
Natuurlijk is het makkelijker en goedkoper om een dr. Clavan of een talking head uit de Kamer te interviewen over een incident in Uruzgan dan daar zelf op een fact-finding missie te gaan. Maar hoe weet je dan of je de juiste toedracht weet? Van de Marechaussee? Het ANP? Van een ‘embedded’ journalist? Dan krijg je een vorm van journalistiek waarvan oorlogscorrespondent Edward Behr de dilemma’s zo mooi heeft samengevat in de titel van zijn memoires: ‘Anyone been raped and speaks English?’ En zoals vroeger de waarheid als eerste sneuvelde op het oorlogstoneel (lees de klassieker The First Casualty van Philip Knightley), zo zijn het tegenwoordig in een tijd van Haast, Hype en Gehijg eerst de nuances en daarna de feiten die op vele fronten het loodje leggen. Was dertig jaar geleden de historische blunder Massaslachting in Timisoara (gevolg van elkaar napratende internationale persbureaus) een uitzondering, tegenwoordig zijn dergelijke missers schering en inslag.
Infotainment
Tegen de achtergrond van verdere bezuinigingen en gezien het belang van de pers voor ons democratisch bestel zal het niet verwonderen dat minister Plasterk van Cultuur een commissie instelde die zich moest buigen over de toekomst van de Nederlandse pers. Deze Commissie Brinkman zoekt het vooral in samenwerking en innovatie. Maar uiteindelijk komt het erop neer dat Nederland de pers krijgt die het verdient. Zolang er genoeg mensen zijn die kennis en inzicht belangrijker vinden dan roddel en achterklap, en zolang er genoeg lezers zijn die daarvoor ook willen betalen, zullen er ondanks alle crises altijd kwaliteitskranten blijven bestaan. Want voor de andere media resteert er nog één wijze, Amerikaanse les: infotainment is voor nieuwsmedia op de lange duur een heilloze strategie. De verklaring is eenvoudig: echt entertainment is altijd leuker.
Kees M. Paling: De wereld als halve waarheid. Een inleiding in de pseudologie, Bzztôh, Den Haag, 1990.
Bill Kovach & Tom Rosenstiel: The elements of journalism. What newspeople should know and the public should expect, Random House, New York, 2001.
Nick Davies: Flat earth news, Chatto & Windus, London, 2008.
Philip Knightley: The first casualty. From the Crimea to Vietnam: the war correspondent as hero, propagandist and myth maker, Harcourt, New York, 1975.
Edward Behr: Anyone here been raped and speaks English?, Hamilton Books, New York, 1981.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten