De schaduwkanten van democratisering, individualisering en marktwerking hebben inmiddels ook de publieke arena veroverd. Valt de vulgarisering van onze samenleving nog te keren?
Kees M. Paling
Het grauw beheerst de publieke ruimte, het janhagel roert zich in de media en het schorriemorrie rukt op in politiek en bestuur. Het klinkt wellicht als een ondergangsvisioen van de Markies de Cantecleer, maar het is de vraag hoeveel mensen dit gevoel tegenwoordig delen. Nu kan de markies niet zeggen dat hij niet gewaarschuwd is. Zijn klasse-genoot, de Franse Comte de Tocqueville, waarschuwde in 1835 al voor de schaduwkanten van democratisering. Na een studiereis naar de Verenigde Staten beschreef deze cultuursocioloog avant la lettre in ‘De la democratie en Amerique’ onder meer de kwalijke gevolgen die democratisering op de lange duur kan hebben, zoals tirannie van de meerderheid en van de publieke opinie, gebrek aan intellectuele vrijheid en mede daardoor een ontwikkeling waarbij politiek, bestuur, onderwijs en literatuur afzakken tot het laagste niveau.
Hebben wij dit stadium inmiddels bereikt? De afgelopen decennia is het opleidingspeil van de Nederlanders voortdurend gestegen, maar het beschavingspeil lijkt omgekeerd evenredig gedaald. Ook het beschavingsoffensief van de verschillende kabinetten Balkenende (normen en waarden) wist hier geen verandering in te brengen: de omgangsvormen op straat en in het verkeer, de bejegening in winkels en bij overheidsloketten, het taalgebruik op internet en in de media – het is allemaal minder dan het geweest is. Hoe heeft het zover kunnen komen? Zeker, democratisering is een groot goed, maar in combinatie met de schaduwkanten van markt, media en individualisering roept het nu ontwikkelingen op die de samenleving langzaam maar zeker doen afglijden. Het is mooi dat de markt onze behoeften bevredigt, maar uiteindelijk draait het daar allemaal om geld en niet om inhoud. En zeker, het is goed dat ieder individu zich kan ontplooien, maar in combinatie met het immer lonkende marktaanbod leidt dat tot veeleisende en dus altijd ontevreden consumenten met een kort lontje. Men heeft rechten, geen plichten.
Zet diezelfde consumenten voor de tv en ze willen vermaakt worden, niet geïnformeerd. Die tendens, in combinatie met de marktwerking waaraan ook de media niet zijn ontkomen, leidt ertoe dat de media thans geregeerd worden door platvloersheid en oppervlakkigheid. De voorspellingen die mediagoeroe Neil Postman een kwart eeuw geleden deed in ‘Amusing ourselves to death’ zijn wat dat betreft geheel uitgekomen. De platheid van de moderne beeldbuis wordt alleen nog overtroffen door de platheid van de programma’s, met als ogenschijnlijk voornaamste doel het belachelijk maken van onze medeburgers. Ook de geschreven pers is niet ontkomen aan de combinatie van marktwerking en amusementshonger, waardoor ‘news became entertainment and entertainment became news’. Want de media zijn er voor het communiceren van…..ja, van wat eigenlijk? Moeten de media dan echt vooral een beeld geven van het slechtste, meest verdorven en meest platte dat onze samenleving te bieden heeft? Het laatste bastion van de publieke ruimte – het parlement – is inmiddels ook gevallen. Populisten – het woord is veel te positief – zetten de toon, daartoe uitgenodigd door regeringspartijen die hen een pseudo-ministerieel podium hebben bezorgd. Hun verkiezingswinst kwam – opmerkelijk genoeg – vooral uit de provincie waar men de gewraakte problemen slechts kent ‘van horen zeggen’. Dat zijn dus de gevolgen van het vervormde wereldbeeld dat de media uitbraken, in combinatie met de ‘krompraat’ van de populisten. Maar wat gebeurt er als je ‘onderbuikgevoelens’ toelaat in de levensader van de democratie? Wat gebeurt er als je het riool aansluit op de waterleiding? En hoe lang duurt het dan voor de stank van Weimar zich opdringt?
Het keren van dit soort ontwikkelingen is helaas nooit eenvoudig. Een eenvoudige oplossing is de roep om meer regels, strengere handhaving en vooral een sterke leider, ter linker- of ter rechterzijde. Maar die oplossingen zijn inmiddels vaak genoeg uitgeprobeerd, tot schade van de mensheid.
Een andere buffer was voorheen de maatschappelijke elite of intellectuele voorhoede, die problemen van een afstand kon beschouwen en de mogelijke oplossingen rationeel kon afwegen.
Helaas ontbreekt het tegenwoordig aan een geloofwaardige en gezaghebbende elite. De bankiers en ondernemers hebben hun krediet – letterlijk – verspeeld en in de politiek heersen opportunisme en hypocrisie (het verfrissende optreden van Rutte ten spijt). Waar zijn de geëngageerde kunstenaars? Waar zijn de journalisten die verder kijken dan hun column of kookrubriek? En zijn er nog wetenschappers die zich in méér verdiepen dan hun retort of chi-quadraat? Die moeten er nog zijn – de echte intellectuelen, die over hun eigen grenzen heenkijken. In de breedte over schotten en sectoren, in de verte achter de (kabinets)horizon, en in de diepte achter hun eigen motieven en beweegredenen. Maar als ze er al zijn, ontbreekt het aan onderlinge samenwerking en organisatie. In het gunstigste geval houden ze zich bezig met één thema. Duurzaamheid, spiritualiteit, gelijkheid, etc. Of ze verstoppen zich in de niches van de samenleving, waar kunst en wetenschap (nog) hun eigen leven leiden.
De intellectuele elite heeft zich het voortouw laten ontglippen en de populisten voeren nu het hoogste woord. Het is de hoogste tijd voor een tegenoffensief, om nog iets van beschaving te redden. En dat vereist moed en inzet, maar bovenal een moderne vorm van organisatie. Laat even alle niches op internet voor wat ze zijn, overwin de versnippering en ontmoet elkaar op een virtueel platform langs de elektronische snelweg, waarop iedereen die wil kan meeliften. Is er iemand die zoiets kan ontwerpen?
Kees M. Paling is cultuursocioloog en auteur van o.a. ‘Het Fin de Siècle als uitdaging’.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten